De kern van de zaak

Een IsraŽlisch soldaat valt uitgeput, maar blij op zín knieŽn als hij de IsraŽlische grens is gepasseerd nadat hij
dagenlang heeft gevochten in Libanon in 2006. Hezbollah schoot in die tijd duizenden raketten af op burgerdoelen
in het noorden van IsraŽl en IsraŽl reageerde daarop. De blijdschap op het gezicht van deze soldaat typeert
IsraŽls verlangen naar vrede. De IsraŽlische bevolking moet zich echter in het conflict steeds opnieuw verdedigen
tegen de steeds aanhoudende dreiging van vijanden die de Joodse staat willen vernietigen. Wie een internationaal conflict wil oplossen, of daarbij wil helpen, moet eerst onderkennen hoe dat conflict is ontstaan, welke territoriale dimensies het heeft en wat de oorspronkelijke en de actuele ingrediŽnten ervan zijn. Dit klink logisch, maar in het geval van Ďhet Midden-Oostenconflictí wordt dat veelal niet gedaan.
Laat ik beginnen met de gangbare benamingen van dat conflict en de territoriale dimensies ervan. ĎHet Midden-Oostenconflictí suggereert dat er slechts ťťn conflict in die reusachtige regio woedt: het conflict rond IsraŽl. Maar sinds jaar en dag wordt de regio geteisterd door tientallen conflicten waarin IsraŽl geen enkele rol speelt. Vrijwel al die conflicten hebben een of meer van de volgende wortels.

Sjiitisch tegenover Soennitisch
Het structurele sjiitisch-soennitische conflict, dat bijna net zo oud is als de islam en dat tot in onze dagen leidt tot wederzijds bloedvergieten van een onvoorstelbare wreedheid, met name in Libanon en Irak. Dit conflict heeft ook een negatieve invloed op de relatie tussen het sjiitische Iran en de soennitische Golfstaten.

Etnische tegenstellingen
Het structurele conflict tussen de verschillende etnische en religieuze bevolkingsgroepen in Ďkunstmatige natiestatení, zoals Libanon, SyriŽ en JordaniŽ. Die staten werden na de Eerste Wereldoorlog door Groot-BrittanniŽ en Frankrijk letterlijk op de kaart gezet, waarbij ook letterlijk tijdbommen werden neergelegd door allerlei etnische en religieuze groepen binnen dezelfde landsgrenzen te dwingen en daarmee gecompliceerde multiculturele samenlevingen te creŽren. De burgeroorlogen in Libanon (tussen sjiieten, soennieten, druzen en christenen) en de gewelddadige chaos die momenteel heerst in SyriŽ (waar de Alawitische minderheid de macht heeft over soennieten, sjiieten, druzen, Koerden en christenen) zijn hieruit te verklaren. Ook in het schijnbaar rustige JordaniŽ ligt een tijdbom. Daar overheerst een door het oorspronkelijk uit Mekka afkomstige Hasjemitische koningshuis aangevoerde minderheid van bedoeÔenen de meerderheid van Palestijnse Arabieren (zoín 70 procent van de bevolking). Ik benadruk hier dat JordaniŽ (het vroegere Oost-Palestina) feitelijk een Palestijnse staat is en dat het alleen al om die reden onredelijk en zelfs gevaarlijk is om te pleiten voor nůg een Palestijnse staat in West-Palestina.

Tribale tegenstellingen
Het tribale karakter van de meeste Arabische samenlevingen. Dit is een bron van structureel intern conflict binnen Arabische staten. De stam is in die landen de belangrijkste loyaliteitsfactor, niet de staat. Met andere woorden: het belang van de eigen stam wordt altijd gesteld boven dat van andere stammen en boven het nationale belang.

En dan zijn er nog territoriale aanspraken over en weer tussen Arabische staten. Zo ziet bijvoorbeeld SyriŽ Libanon als onderdeel van een Groot-SyriŽ, heeft Irak een claim op Koeweit en probeerde Saddam Hoessein om die reden het oliestaatje in te lijven.

Er zijn dus vele Midden-Oostenconflicten.

ĎArabisch-IsraŽlischí conflict?
Het conflict rond IsraŽl wordt ook wel aangeduid als het Arabisch-IsraŽlisch conflict. Maar ook daar dekt de vlag de lading niet. Zo is sinds 1979 ook het niet-Arabische Iran bij dat conflict betrokken. En wel als een van de belangrijkste spelers, zo niet de belangrijkste. Iran grenst niet aan IsraŽl, heeft dus geen territoriaal conflict met de Joodse staat, maar het Iraanse regime wil IsraŽl naar eigen zeggen wel te vuur en te zwaard bestrijden en uiteindelijk vernietigen. Op religieuze gronden. Bovendien ontbrandde het ĎArabisch-IsraŽlischí conflict feitelijk al in 1920, terwijl de staat IsraŽl pas in 1948 werd gesticht. Hier komen wij gelijk bij de kern van de zaak, want het conflict gaat in wezen niet over het bestaan van de staat IsraŽl of over grondgebied, maar over het recht van Joden om als autonome groep te leven in het gebied tussen de Arabische woestijn en de Middellandse Zee. Dat recht wordt om religieuze redenen betwist.

Geen acceptatie van Ďvrije Jodení
Joden kunnen in een islamitische omgeving alleen als onderhorige minderheid bestaan, als dhimmiís, die tegen betaling van beschermingsgeld onder moslims worden gedoogd. Dat is islamitisch dogma. Het politiek zionisme, dat rond de wisseling van de negentiende en de twintigste eeuw opkwam, beoogde voor de Joden echter een vrij en op den duur zelfs onafhankelijk bestaan in het toenmalige Palestina te creŽren. Dat streven werd openlijk gesteund door twee van de grootmachten van toen: Frankrijk en Groot-BrittanniŽ en vastgelegd in de verklaring van de Franse minister van Buitenlandse Zaken Jules Cambon (van 4 juni 1917) en in die van Cambons Britse collega Arthur James Balfour (op 2 november 1917). Omdat Groot-BrittanniŽ tijdens de Eerste Wereldoorlog de landstreek Palestina op de Turken veroverde en langdurig ging beheren werd de Balfourverklaring feitelijk de volkenrechtelijke basis voor Joodse zelfbeschikking in Palestina.

Ruim twee jaar later sloeg de vlam in de pan. In maart 1920 vonden in Palestina grootschalige en bloedige anti-Joodse onlusten plaats. Het geweld werd geÔnstigeerd door een zekere Mohammed Amin al-Hoesseini, die desondanks later door de Britten tot grootmoefti van Jeruzalem werd bevorderd. Hoesseini speelde vanaf dat moment een cruciale rol in de heilige oorlog tegen de Joden, niet alleen die in Palestina. De moefti was tijdens de Tweede Wereldoorlog ook oprichter van een islamitische SS-divisie op de Balkan en hij drong bij het nazi-leiderschap stelselmatig aan op de totale vernietiging van de Europese Joden.

Anti-Joodse traditie
Het oproepen tot genocide op de Joden, niet alleen die in Palestina en later IsraŽl, maar wereldwijd, kon worden gelegitimeerd vanuit de islamitische schrift. Het was islamstichter Mohammed zelf die heeft verklaard dat de dag van het laatste oordeel niet komt voordat de moslims de Joden hebben gedood en de Joden zich achter bomen en rotsen zullen verstoppen, waarna die zullen uitroepen: ĎOh moslim, o dienaar van Allah, achter mij zit een Jood, kom en dood hemí.

Vanuit die traditie heeft Hezbollahleider Hassan Nasrallah het zionisme als een positief verschijnsel getypeerd, omdat een succesvol zionisme volgens hem moslims de moeite zou besparen de Joden wereldwijd achterna te zitten om hen daar te vermoorden.

Dit is het basisingrediŽnt van het ĎArabisch-IsraŽlisch conflictí. Het is uiteindelijk een religieus conflict, dat niet met onroerendgoedtransacties is op te lossen. Het gaat de islamitische tegenstander niet om land voor vrede maar om het reinigen van het land van aanstootgevende vrije Joden. En dan is er ook nog het afrekenen met het Jodendom in het algemeen. Maar die keiharde onplezierige realiteit wordt door het seculiere en Ďrationeleí Westen niet aanvaard. Bij ons bestaan onoplosbare conflicten namelijk niet.

Bron: IsraŽl Actueel, een uitgave van christenenvoorisrael.nl/
Toegevoegd: 9 april 2012
blog comments powered by Disqus


Print deze pagina
Terug