De dubbele tong van Arafat

Onlangs verklaarde de zich 'president' noemende leider van de Palestijnse Autoriteit, Jasser Arafat, in het IsraŽlische dagblad Ha'aretz dat hij het joodse karakter van de staat IsraŽl erkende. Een interview dat nadrukkelijk bestemd was voor de westerse publieke opinie - de Palestijnse Autoriteit krijgt immers veel geld uit Europa, geld dat door corruptie en gebrek aan toezicht nog wel eens in de verkeerde zakken verdwijnt. Maar in eigen kring verklaart diezelfde Arafat heel andere dingen. Dan prijst hij zelfmoordterroristen die zichzelf opblazen als 'martelaren' en roept hij op 'Jeruzalem te bevrijden'.

Zelfs kinderen moeten zich voor dat martelaarschap beschikbaar stellen. Faris Ouda, een jongen van 14 die aan die oproep gehoor gaf, werd door Arafat herhaaldelijk als held afgeschilderd. In een door de Palestijnse televisie op 22 juli 2003 uitgezonden toespraak van Arafat tot een groep minderjarigen, zei deze: 'Wij zijn trots op deze generatie die in de zelfopoffering van jullie collega, de held en martelaar Faris Ouda, een voorbeeld ziet.' De kinderen jongens en meisjes van gemiddeld elf jaar - juichten Arafat, die het tafereel glimlachend aanschouwde, toe. Arafat gebruikt hier het woord `shahied': een woord dat letterlijk 'martelaar' betekent, maar dat in de Palestijnse context bijna altijd betrekking heeft op zelfmoordterroristen en zelfmoordacties. Als er in IsraŽl en Jeruzalem een zelfmoordaanslag plaatsvindt, zijn Arafat en woordvoerders van de Palestijnse Autoriteit er in interviews met westerse media meestal snel bij om die aanslag te veroordelen. Maar in eigen kring klinken er heel andere geluiden.

'Vraag om de dood...'
Op 5 juli 2002 werd het beeld op Arafats Palestijnse televisie plotseling zwart. In het Arabisch en Engels verscheen de volgende tekst: 'Vraag om de dood, dan krijg je het leven ervoor terug.' De tekst vormde de afsluiting van een filmclip waarin kinderen werden opgeroepen zich als `shahied' voor de Palestijnse zaak op te offeren. In studiogesprekken en andere programma's op hetzelfde Palestijnse tv-kanaal, worden Palestijnse jonge mannen en vrouwen die zichzelf in IsraŽl opblazen als lichtend voorbeeld geportretteerd. Bijvoorbeeld op 5 juli 2002: de elfjarige Walla en de eveneens elfjarige Yusra zitten in de tv-studio. De gespreksleider vraagt Walla wat beter is: Vrede en de verwezenlijking van de rechten voor het Palestijnse volk of... het martelaarschap? 'Het martelaarschap,' antwoordt Walla. 'Want dan krijg ik ook mijn rechten.' 'Wij willen niet in deze wereld blijven, maar we willen het leven na dit leven,' zegt Yusra. 'Alle jonge Palestijnen kiezen voor het martelaarschap.' Moeders treuren niet, is de boodschap op de tv en in de krant, want hun zonen en dochters zijn nu in het 'paradijs'. De zonen kijken niet naar aardse vrouwen, want ze weten dat ze in het paradijs door zeventig beeldschone maagden (letterlijk: 'de donkerogigen') worden opgewacht.

De eerste Palestijnse vrouw die zichzelf opblies, heette Wafa Idris. Dit gebeurde in het centrum van Jeruzalem. Eind januari 2002 werd zij herdacht op een bijeenkomst van Arafats 'Fatah' organisatie. Jonge meisjes kregen posters mee waarop stond: 'De Fatah-beweging brengt met grote trots hulde toe aan haar heldin, de martelares Wafa Idris.' Op de televisie van de Palestijnse Autoriteit klonk dezelfde boodschap. Ter nagedachtenis aan Wafa Idris werd er zelfs een lied gecomponeerd dat in de vorm van een concert - compleet met sopraan, koor en orkest - meermalen op de Palestijnse tv werd uitgezonden (bijvoorbeeld op 12 mei 2002 en 25 juli 2003). Het lied begint als volgt: 'Mijn zuster Wafa, O, trotse hartslag, bloeiende bloem die op aarde was, maar nu in het paradijs verkeert.'

Takia
Hiervan dringt maar weinig door in de westerse media. Ook de meeste correspondenten besteden er geen aandacht aan. Dat Arafat met dubbele tong spreekt, is op zich niet iets van de laatste tijd. Dat is al jaren het geval. Het is bij kenners van het Midden-Oosten genoegzaam bekend. Enkele Turkse moslims in Amsterdam vertelden mij dat spreken met dubbele tong in de islamitische cultuur heel gewoon is. Naar de ongelovige buitenwereld volstrekt andere dingen verklaren en daden van zelfmoordterreur veroordelen, maar onder gelovige moslims diezelfde daden juist aanprijzen. Mijn moslimvrienden - een doceerde aan de universiteit van Amsterdam - noemden dit takia, een begrip dat oorspronkelijk uit de sji'itische islam stamt maar dat ook door soennitische moslims wordt gepraktiseerd. 'Takia' is een theologische rechtvaardiging om te liegen, dat wat je echt gelooft voor de ongelovige buitenwereld verborgen houden, desnoods ontkennen, als daar hogere belangen mee zijn gediend. Maar in de moskee en onder geloofsgenoten mag en kun je vrijuit spreken en hoef je de eigen overtuiging niet te verbergen. Terroristen van Al-Quaida krijgen instructies mee om zich in het westen westers te kleden, geen baarden te dragen, aftershave te gebruiken en zelfs alcohol te drinken om niet als gelovig moslim de aandacht van ongelovigen te trekken. 'Het hogere doel rechtvaardigt het verbodene,' las ik in een handboek met aanwijzingen voor terreurcellen van al-Qaida. Arafats houding past dus in een hele cultuur van liegen en bedriegen.

Zelfs integere Palestijnen als oud-premier Mahmoed Abbas (Abu Mazen), door Arafat vorig jaar weggetreiterd, erkennen dat Arafat zelf met zijn hele houding het grootste obstakel op weg naar vrede is. Clinton en de vroegere IsraŽlische premier Barak waren daar al eerder achter gekomen. Arafat, die tal van mooie beloften doet, maar in eigen kring heel andere dingen zegt en uiteindelijk het hele vredesproces grondig frustreert.

En dan is er nog Saddam Hoessein, de Iraakse dictator die vorig jaar van de troon gestoten werd. Door Arafat en veel Palestijnen werd Saddam lange tijd bejubeld. Hij was een belangrijk financier van de zelfmoordterreur. Toen de Amerikanen Bagdad binnentrokken werd in er in de Palestijnse gebieden gerouwd - zij het niet officieel natuurlijk, want naar de buitenwereld toe kon Arafat zich niet opnieuw als de grote vriend van Saddam opwerpen.

Bronnen: www.pmw.org.il; www.memri.org; google ('takiyya').

Toegevoegd: 27 juli 2003
Bron: Het zoeklicht nr.9, 80e jaargang.
Voor een abonnement op Het Zoeklicht, klik hier.



Print deze pagina
Terug