Is er wel vrede mogelijk in het Midden-Oosten?

In september 1993 schudde een aarzelende Yitzhak Rabin tijdens de ceremonie op het gazon van het Witte Huis de met bloed bevlekte hand van zijn vijand, Yasser Arafat, na wat aansporing van de glimlachende president Clinton. Het leek zo eenvoudig: de formule luidde 'land voor vrede'. Eenvoudig gezegd: IsraŽl geeft delen van haar thuisland op in ruil voor een belofte van niet-agressie door de Palestijnen. In wettelijke termen zouden we dat afpersing noemen, maar in deze context werd het een sterk staaltje van staatsmanschap.

In ruil voor beperkte autonomie kwam de Palestijnse Autoriteit (PA) overeen om geen eigen staat te eisen. De status van Jeruzalem als de "eeuwige, onverdeelde hoofdstad" van IsraŽl was niet onderhandelbaar. Arabische leiders zouden niet meer aansporen tot de vernietiging van IsraŽl. Arafat beloofde volledige toegang tot de heilige plaatsen voor alle geloofsaanhangers.

Het Oslo-akkoord behelsde een proefperiode voor de PA; eerst drie jaar beperkte autonomie, dan twee jaar om de vooruitgang te bekijken en de autonomie dienovereenkomstig uit te breiden en als laatste nog eens twee jaar om te bespreken wie de heilige plaatsen van Jeruzalem zou beheren. Formele staatschap stond nooit op het programma. Er werd niet over gesproken. Arafat en Rabin ondertekenden de overeenkomst van Oslo op het gazon van het Witte Huis, de gehele wereld was getuige. Alvorens de inkt droog was, kondigde Arafat op talrijke persconferenties een geplande Palestijnse staat aan met Jeruzalem als hoofdstad.

Verdere overeenkomsten met westerse leiders dwongen IsraŽl stukje bij beetje alles wat ze hadden weg te geven. Tien jaar later blijkt dit nog steeds niet genoeg voor vrede, en er is niets meer over om weg te geven, behalve Jeruzalem.

Onder deze omstandigheden lijkt het vredesproces in het Midden-Oosten niet op te lossen. Zelfs president Clinton heeft, na een wanhopige poging om positief de geschiedenisboeken in te gaan, het een hopeloze zaak genoemd. Heel wat tijd had bespaard kunnen worden door de werkelijkheid van het Midden-Oosten conflict te erkennen: het is onoplosbaar.

Wortels van het conflict
Het conflict is niet in 1948 begonnen, het gaat terug naar de tijd van Abraham. Zijn twee zonen, IsmaŽl en Isašk, zijn de vaders van de twee volkeren die we vandaag de dag kennen als Arabieren en Joden. Het oude testament zegt dat de goddelijke belofte doorgegeven is aan de nakomelingen van Abraham's tweede zoon, Isašk. De Joden zijn de nakomelingen van Isašk. De Koran zegt dat dit beloofd is aan de eerste geboren zoon van Abraham, IsmaŽl, en zijn nakomelingen, de Arabische volkeren.

De bijbel zegt dat Abraham werd bevolen om Isašk te offeren op de berg Moria, en dat God hem op het laatste moment tegenhield. De Koran noemt in plaats van Isašk daarentegen IsmaŽl en beweert dat de Joden het verhaal hebben veranderd.

De Joden eisen Jeruzalem op als een goddelijk geboorterecht, met daarbij de zetel van de heilige der heiligen gevestigd op de Tempelberg. De Koran belooft dat land veroverd voor Allah altijd Islamitisch zal blijven, tot in eeuwigheid. De moderne Islam onderwijst dat Mohammed naar het Paradijs opsteeg vanaf de plek van de Rotskoepel, op de Tempelberg in Jeruzalem.

In beide gevallen is de steen waarop Abraham Isašk of IsmaŽl, afhankelijk van je perspectief, wilde offeren de Tempelberg, of de berg Moria, in Jeruzalem.

Een te hoge prijs
Hierin ligt de onoplosbare aard van de kwestie. Voor de Arabieren is de erkenning van IsraŽl's recht op land dat ooit voor Allah veroverd is gelijk aan zeggen dat de Koran niet klopt. Het zou betekenen dat het gronddocument van de volledige Islamitische godsdienstige kijk op de wereld onbetrouwbaar is. IsraŽl erkennen zou op godslastering neerkomen. Daarom spreken de Arabische leiders van koning Abdullah van JordaniŽ tot Bashar Assad van SyriŽ tot koning Fahd van Saoedi-ArabiŽ met ťťn stem als ze zeggen "geen compromis over Jeruzalem".

Van IsraŽl gezien zou de erkenning van Arabisch gezag over Jeruzalem en de Tempelberg hetzelfde zijn als toegeven dat de Bijbel op de een of andere manier onjuist zou zijn in zijn verwijzing naar Jeruzalem als zowel de stad van God als de stad van David.

De zijde die toegeeft verliest niet alleen een stad, een plaats van verering en grondgebied! De vrede tussen Arabier en Jood eist dat ťťn van beide de bepalende godsdienstige identiteit van hun volledige bevolking opgeeft.

Een oplossing die op het probleem wacht
Het Arabisch-IsraŽlische conflict is in wezen een geestelijke strijd, het politieke conflict komt pas op de tweede plaats. De geestelijke aard van het probleem maakt een politieke oorlog in de directe toekomst vrijwel tot een uitgemaakte zaak.

De Bijbel zegt echter dat er een oplossing zal worden gevonden. Een leider zal vanuit het verborgene opkomen en zal schijnbaar het perfecte compromis bieden voor vrede. Hij zal de balans weten te vinden tussen de godsdienstige en politieke hindernissen.

De Hebreeuwse profeet DaniŽl identificeert dit genie als leider van het herleefde Romeinse rijk. Briljant en charismatisch zal hij de oplettende wereld fascineren. Het scenario van de Bijbel was voor het grootste gedeelte van de afgelopen 2000 jaar onmogelijk. Er was helemaal geen IsraŽl om vrede mee te sluiten. Vandaag bestaat IsraŽl op precies de plaats die de Bijbel beloofde. Het conflict bestaat daar ook, wachtend op de voorspelde Romeinse vredestichter.

Het herleefde Romeinse Rijk, de Europese Unie, bestaat weer. Voor het eerst weer als verenigde overheid sinds de dagen van Caesar. Alles is klaar op de vastgestelde tijd. Bijna, ťťn element rest nog: de vredestichter.

Wie dat is? Wij weten zijn naam niet. Maar de Bijbel noemt hem de Antichrist.


RPM
28 juni 2003



Print deze pagina
Terug