De zwendel over de Arabische vluchtelingen

Arabische vluchtelingen Een van de eisen van zowel het PLO-bewind in Ram-allah alsook dat van de terreurbeweging Hamas in Gaza is dat IsraŽl akkoord moet gaan met de terugkeer van alle Ďvluchtelingení en hun nazaten naar de plaatsen in IsraŽl van waaruit ze in 1948 verdreven zijn. Men spreekt van het Ďrecht op terugkeerí en beschuldigd IsraŽl ervan verantwoordelijk te zijn voor deze vluchtelingen. Maar het verhaal over deze vluchtelingen is ťťn van de grootste zwendelpraktijken van de 20ste eeuw. Ruim zestig jaar na de oprichting, blijft de staat IsraŽl het enige land in de wereld dat constant besmeurd wordt met de meest bizarre complottheorieŽn en bloedsprookjes door de internationale gemeenschap. Haar bestaansrecht wordt voortdurend ter discussie gesteld en dat niet alleen door haar Arabische vijanden, maar ook door de wereldleiders en de Verenigde Naties en niet te vergeten door allerlei fascistische anti-IsraŽlische propagandisten. Zo bestaat er de mythe dat de stichting van de Joodse staat vergezeld ging van een geplande etnische zuivering en een verdrijving van de in de nieuwe staat IsraŽl verblijvende Arabieren.

Op 29 november 1947 stelde de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in resolutie 181 een deling voor van het gebied ten westen van de rivier de Jordaan in een Joods en Arabische deel, wat door de Arabieren werd afgewezen. Het ging hierbij om het gebied dat door de Volkerenbond al in zijn geheel aan Israel was toegewezen en zelfs door de VN bekrachtigd. Vervolgens gaven de Britten het mandaat terug aan de internationale gemeenschap en verlieten op 13 mei 1948 overhaast hun mandaatgebied in de hoop dat de Arabieren daarna snel met de Joden zouden afrekenen. Vervolgens riep David Ben Goerion de staat IsraŽl uit op het door de VN toegekende gebied. De Arabieren hadden inmiddels al gedreigd met een oorlog en die kwam dan ook. De onafhankelijkheid was nauwelijks uitgeroepen, of IsraŽl werd door de legers van 6 Arabische landen, Egypte, SyriŽ, TransjordaniŽ, Libanon, Saoedi-ArabiŽ en Irak, aangevallen. De invasie was niets anders dan een misdaad waarvoor de Arabische wereld nooit ter verantwoording geroepen is.

De aanvallende Arabische landen riepen de bevolking op zo snel mogelijk te vertrekken om hun intocht te vergemakkelijken, met de belofte op spoedige terugkeer naar hun huizen zodra de nieuwe staat IsraŽl was veroverd en de overgebleven Joden de zee in waren gedreven. Duizenden Arabieren vertrokken omdat hun leiders via de radio en via pamfletten in de naam van Allah daarop aandrongen. Bij het uitbreken van de vijandelijkheden sloegen nog eens tienduizenden op de vlucht, hiertoe aangezet door de eigen leiders, of verplicht geŽvacueerd ten gevolge van de militaire situatie. Onderzoekers spreken over circa 600.000 vluchtelingen. Door de Joden het land uitgejaagd, zo is het verhaal. Maar deze beschuldiging strookt niet met de werkelijkheid want hun vertrek was niets anders dan een strategische beslissing van de Arabische leiders. Zo zei de Iraakse premier Nuri: ďWe zullen het land verpletteren met onze kanonnen en alle schuilplaatsen van de Joden vernietigen. De Arabieren moeten daarom hun vrouwen en kinderen naar veilige gebieden brengen tot na de gevechten.Ē

De Moefti op bezoek bij Adolf Hitler in Berlijn op 28 november 1941 In Haifa kregen tienduizenden Arabieren de opdracht de stad te verlaten, op basis van instructies van het Arabische Hoge Comitť (AHC). Dit gebeurde ondanks intensieve Joodse pogingen om hen te overtuigen te blijven. Enkele dagen eerder was de 6000 zielen tellende Arabische bevolking van Tiberias door zijn eigen leiderschap tot vertrek gedwongen. Ook dit gebeurde volledig tegen de wens van IsraŽl in. In Jaffa, organiseerde de gemeente de transfer van duizenden inwoners, over land en zee. In Jeruzalem verordonneerde het AHC het vertrek van vrouwen en kinderen en de inwoners van verschillende stadswijken werden door lokale bendeleiders uit hun huizen verdreven. Tienduizenden inwoners van plattelandsdorpen werden in opdracht van het AHC door lokale Arabische milities verdreven. Burgers die geen gehoor gaven om te vertrekken werden beschouwd als overlopers. Ook de moefti van Jeruzalem Haj Mohammed Effendi Amin El Husseini riep alle Arabieren op het land zo snel mogelijk te verlaten: "Onze legers staan klaar aan de poorten en zullen alles en iedereen uitroeien om ons land vrij te krijgen". Ook werd tijdens propagandistische radio uitzendingen IsraŽl beschuldigd van wreedheden tegen de Arabische bevolking.

Monseigneur George Hakim, de Grieks-Katholieke bisschop van Galilea, de leidende Christelijke figuur in het Heilige Land gedurende vele jaren, zei tegen een krant uit Beiroet, Sada al-Janub, in de zomer van 1948 dat de vluchtelingen erop vertrouwden dat hun afwezigheid niet lang zou duren, en dat ze binnen een week of twee konden terugkeren. Hun leiders hadden beloofd dat de Arabische legers de "Zionistische misdadigers" zeer snel zouden vernietigen en dat er geen paniek of angst zou bestaan voor een lange afwezigheid.

De IsraŽlische regering onder leiding van David Ben Goerion probeerde de Arabieren op alle mogelijke manieren tegen te houden door de Arabische landgenoten ervan te overtuigen 'gelijkwaardige burgers te zijn en dat zonder enige uitzondering'. Er maakten 160.000 Arabieren gebruik van het aanbod om in IsraŽl te blijven.

De oorlog van 1948 werd uitvoerig beschreven in de wereldpers. Talrijke buitenlandse journalisten die dagelijks in contact stonden met alle betrokkenen schreven wel over de vlucht van Arabieren, maar zelfs zij die het meest vijandig stonden tegenover Joden zagen niets dat hen op de gedachte kon brengen dat die vlucht niet vrijwillig was. Noch door Arabische, noch door westerse correspondenten, werd ook maar gesuggereerd dat IsraŽl de Arabieren verjoeg. De Londen Times, een krant zeer vijandig tegenover het Zionisme, publiceerde maar liefst 11 hoofdartikelen over de situatie in IsraŽl. In geen daarvan was zelfs een vage verdenking te bespeuren dat de regering van David Ben Goerion verantwoordelijk was voor de vlucht van de Arabieren. Zelfs geen enkele Arabische woordvoerder heeft een dergelijke aanklacht geuit. Noch de Arabische vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties, Jamal Husseini, noch de secretaris-generaal van de Arabische Liga, Azzam Pasha, spraken in een toespraak met geen woord over vluchtelingen.

Emil Ghoury, secretaris van het Arabisch Hoger Comitť zei op 15 september 1948 in de "Daily Telegraph" van Beiroet: ďhet feit dat deze vluchtelingen er zijn is het rechtstreekse gevolg van de actie van de Arabische staten die zich keerden tegen het Verdeelplan en tegen de oprichting van een Joodse staat.Ē In 1960 paste Ghoury zijn eerste versie plotseling aan en zei in de VN (17-11-1960): "Het waren de (Zionistische) terreurdaden, vergezeld door plunderingen, die de exodus van de Palestijnse Arabieren veroorzaakt hebben". De premier van SyriŽ, Khaled al-Azm erkende na de oorlog in 1948 de Arabische verantwoordelijkheid voor het vluchtelingenprobleem: ďsinds 1948 zijn wij het geweest die ervoor zorgden dat zij het land verlieten. Wij hebben een ramp over de vluchtelingen gebracht door hen te pressen om weg te gaan."

Het was direct na de oorlog dat de vluchtelingenzwendel zich ontwikkelde tot een internationale operatie. Zodra de de Verenigde Naties begon met het uitdelen van voedsel, onderdak, kleding en medische hulp aan Arabieren die IsraŽl waren ontvlucht, kwamen massaís behoeftige Arabieren naar de kampen uit alle Arabische landen. De organisatie had geen mogelijkheid tot identificatie; de nieuwkomers tekenden dus eenvoudigweg het register als vluchtelingen en ontvingen gratis hulp.

In december 1948 rapporteerde Sir Rafael Cilento, de directeur van de hulporganisatie, dat 750.000 Ďvluchtelingení werden geholpen. Rond juli 1949 bedroeg dat aantal al een miljoen. Het internationale Comitť van het Rode Kruis nam ook deel aan die bezigheden. Het drong aan op erkenning van elke behoeftige Arabier als een vluchteling. Zo kwamen er nog eens 100.000 bij op de lijst. Zo bestaan er dus nu, in de derde generatie, als gevolg van alle vervalsingen, een grote vage massa Arabieren, vermeld op officiŽle lijsten van de VN als Arabische vluchtelingen, beschreven als "slachtoffers van IsraŽlische agressie" vragend om hun recht op terugkeer. Het vertrek van de Ďvluchtelingení ligt geheel op de schouders van de Arabische landen wiens boosaardige plan het was IsraŽl te vernietigen. Pas later zagen de Arabieren de propagandistische waarde ervan in om IsraŽl de schuld te geven.

Zelfs Abu Mazen de leider van het PLO-bewind heeft toegegeven dat Arabische leiders verantwoordelijk waren voor de vlucht van de Arabieren. Op 13 december 2008 schreef Mahmoed al-Habbash in de officiŽle PLO-krant al Hayat al-Jadida dat de Arabieren hun huizen vrijwillig verlieten op instructie van hun eigen Arabische leiders en met de valse belofte van een spoedige terugkeer. Vandaag gebruikt het PLO-bewind de ellende van de Arabische vluchtelingen als een wapen voor IsraŽlís vernietiging en eist al jaren Ďhet recht op terugkeerí van alle Arabieren, hun kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. De bewering van ontrechting met voorbedachten rade en het vervolgens gecreŽerde Arabische 'vluchtelingenvraagstuk' vormt de kern van de aanklacht die door IsraŽls vermeende slachtoffers en hun Westerse bondgenoten naar voren wordt gebracht.

Het verhaal van de Arabische vluchtelingen is complete fraude. Door de nederlaag van de Arabische wereld zaten de vluchtelingen die dachten snel naar huis terug te kunnen keren, vast in de omliggende Arabische staten waar ze veelal in vluchtelingenkampen waren ondergebracht. En nu ruim zestig jaar na hun verstrooiing verblijven deze vluchtelingen en hun nakomelingen nog steeds in kampen waarin zij al tientallen jaren door hun Arabische Ďbroedersí worden vastgehouden, gevoed met haat tegen de staat IsraŽl en valse hoop op een mogelijke terugkeer.

De Arabieren die voor de bommen van hun eigen broeders zijn gevlucht, ontlenen hun bestaan aan de leugen dat zij door IsraŽl zijn verdreven en mogen zich verheugen in het feit dat steeds meer mensen, waaronder kerken, die leugen voor waarheid aannemen. Deze mythe wordt in leven gehouden met de hulp van de UNRWA. Volgens de definitie van de VN zijn de nakomelingen van de Arabische vluchtelingen uit 1948 ůůk vluchtelingen. Deze vluchtelingen blijken veel meer rechten te hebben dan welke andere groep vluchtelingen ook op aarde. Voor deze vluchtelingen gelden als enige bevolkingsgroep op de wereld compleet andere regels. Dit om dit 'vluchtelingenprobleemí zo groot mogelijk te maken, en zo te gebruiken als politiek wapen tegen de staat IsraŽl. Vele landen dragen bij tot het voortbestaan van de UNRWA, dat zich enkel bezighoudt met het bijstaan en het bestendigen van het vluchtelingenprobleem, maar ook tot het aanzetten van haat tegen de Joden.

Het PLO-bewind, de Arabische wereld en een groot deel van het westen staan erop dat de vluchtelingen met hun nageslacht, bij elkaar vier miljoen mensen, weer naar hun huizen in IsraŽl mogen terugkeren. Ram-allah diende in 1999 zelfs een claim tot schadevergoeding in bij de Europese Unie ter hoogte van 670 miljard dollar, als eis tot financiŽle compensatie voor de vluchtelingen en hun Ďrecht op terugkeerí.

Kinderen worden volgepompt met haat De voorstanders van het ďrecht op terugkeerĒ beweren dat zij een wettelijke basis hebben gevonden in resolutie 194 die in 1948 door de Algemene Vergadering van de VN werd aangenomen. Deze resolutie is slechts een niet-bindend voorstel dat geen enkele basis heeft in het internationaal recht. Hoewel in de resolutie wordt gezegd dat de vluchtelingen die willen terugkeren naar hun huizen en in vrede willen leven met hun buren, hen dat toegestaan moet worden, maar anderzijds spreekt de resolutie ook over de hervestiging van vluchtelingen in een ander land en compensatie voor diegenen die niet meer terugkeren. Voor IsraŽl is de terugkeer van de vluchtelingen onbespreekbaar, omdat dit de demografische vernietiging van de Joodse staat zou betekenen. IsraŽl stelt ook dat het probleem van de vluchtelingen is gepolitiseerd, verdraaid en sterk overdreven als middel om IsraŽl te dwingen toe te geven aan zijn eigen ondergang. Men wil de status van de vluchtelingen zo houden, zodat ieder kind kan worden opgevoed met intense haat tegen IsraŽl.

Het idee dat hun grootouders door IsraŽl uit hun huis zijn verdreven, is ze door de corrupte en misdadige PLO-kliek met de paplepel ingegeven. De grote vergissing van de Arabieren was dat ze de oproep om te vertrekken van hun Arabische leiders opvolgden. Zij geloofden de uitspraken dat de Joden binnen slechts enkele weken de zee in zouden worden gedreven zodat ze snel naar hun huizen zouden kunnen terugkeren, met alle huizen van de Joodse bevolking erbij. Tientallen jaren zijn de Arabische vluchtelingen gebruikt als politieke pressiegroep, die opzettelijk de vluchtelingenstatus behield om druk op IsraŽl uit te oefenen. En de internationale gemeenschap is partij bij deze zwendel.


Toegevoegd: 2 oktober 2011
Uit de nieuwsbrief van: FranklinTerHorst.nl
blog comments powered by Disqus


Print deze pagina
Terug